Bestuurder in faillissement in het nauw gedreven?

Faillissementen zijn in deze tijd aan de orde van dag. Bepaalde (persoonlijke) belangen van de bestuurder kunnen er toe leiden dat er onverstandige beslissingen worden gemaakt met betrekking tot de afwikkeling van het faillissement. Recent deed de rechtbank van Rotterdam uitspraak in een zaak waarin een bestuurder een vaststellingsovereenkomst ondertekende, met aansprakelijkheid voor het boedeltekort tot gevolg.

In deze zaak ging het om een vennootschap die binnen een jaar na de oprichting failliet is verklaard. De bestuurder heeft een dag na de faillietverklaring met de curator een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin hij aansprakelijkheid voor het boedeltekort heeft erkend en is overeengekomen een voorschot van € 1.500,- te betalen.

De curator is vervolgens een procedure gestart. In deze procedure heeft de bestuurder verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat de vaststellingsovereenkomst onder invloed van wilsgebreken (bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden) en/of dwaling tot stand is gekomen en de vaststellingsovereenkomst daarom vernietigd moet worden. Ter onderbouwing hiervan heeft de bestuurder aangevoerd dat de dag na faillietverklaring zijn woning geleverd zou worden en zijn financieel adviseur hem te kennen heeft gegeven dat door de curator beslag is gelegd op deze woning ten behoeve van het faillissement. De curator zou hem vervolgens hebben gezegd dat de woning door dit beslag niet geleverd kon worden, maar dat hij de notaris een verklaring zou sturen waardoor de levering zonder problemen zou kunnen plaatsvinden. De bestuurder zit vervolgens bij de notaris die hem een vaststellingsovereenkomst overhandigt van de curator. Na een “vluchtige doorlezing” van de vaststellingsovereenkomst en na mededeling van de notaris dat zonder ondertekening geen levering zou plaatsvinden, heeft de bestuurder zijn handtekening onder de vaststellingsovereenkomst gezet. Pas na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst is de bestuurder gebleken dat het beslag de levering van de woning helemaal niet blokkeerde.

De curator heeft betwist dat hij een mededeling heeft gedaan waaruit zou moeten blijken dat de levering van de woning geblokkeerd werd door het beslag en heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat van vluchtige doorlezing van de vaststellingsovereenkomst geen sprake was, nu er tussen de bestuurder en de curator telefonisch inhoudelijk overleg is gepleegd over de hoogte van het voorschot op het boedeltekort.

De rechter heeft in deze zaak geoordeeld dat de bestuurder onvoldoende heeft gesteld dat de curator een ongeoorloofde handeling heeft verricht of een ongeoorloofde mededeling heeft gedaan. Een beroep op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst slaagt dus niet. Dat betekent dat de vaststellingsovereenkomst in stand kan blijven en dat de bestuurder aansprakelijk is voor het boedeltekort. Ten overvloede heeft de rechter geoordeeld dat de bestuurder op grond van artikel 2:248 BW (hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders in geval van faillissement wegens onbehoorlijk bestuur) ook aansprakelijk is voor het boedeltekort. Vastgesteld is dat de bestuurder diverse bedragen zonder deugdelijke grond aan het vermogen van de vennootschap heeft onttrokken.

Let dus op als bestuurder van een failliete vennootschap bij het ondertekenen van een vaststellingsovereenkomst ter afwikkeling van het faillissement, ook onder de druk en stress die een faillissement met zich mee brengt. Overigens, deze bestuurder was ook zonder het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst aansprakelijk geweest voor het boedeltekort