Het vroegpensioen is terug van weggeweest

Miniatuur pensioen

De AOW-leeftijd stijgt en daarmee ook de leeftijd waarop mensen gemiddeld met pensioen gaan. Maar wat nu als een medewerker liever eerder stopt met werken dan de AOW-uitkering ingaat? En waarom moedigt de overheid het ene moment aan om eerder te stoppen met werken en ontmoedigt ze dit juist in andere jaren?

Verhoging wettelijke AOW-leeftijd

Tot 2013 was de wettelijke AOW-leeftijd nog 65 jaar. Tot 1 januari 2024 wordt de AOW-leeftijd in stapjes verhoogd en in 2024 krijgen pensioengerechtigden pas vanaf hun 67e verjaardag een AOW-uitkering. De AOW-gerechtigde leeftijd is een belangrijk moment in een mensenleven. 

Niet alleen emotioneel is het een mijlpaal dat men kan stoppen met werken, maar ook financieel en dan vooral belastingtechnisch, verandert er het een en ander. Zo betaalt de AOW-gerechtigde niet langer AOW-premies over het inkomen en dit betekent dat de bruto-nettoverhouding van het inkomen in zijn of haar voordeel verandert. 

Daarnaast is het mogelijk om specifieke zorgkosten af te trekken in de aangifte inkomstenbelasting, waardoor ook dit een belastingvoordeel kan opleveren.

Economische trends

Dat de AOW-leeftijd stapsgewijs omhoog wordt gebracht, heeft alles te maken met economische trends. In de jaren 80 van de vorige eeuw was de jeugdwerkloosheid hoog. Om meer arbeidsplaatsen voor de jeugd beschikbaar te krijgen, was het nodig dat oudere werknemers eerder met pensioen zouden gaan. De overheid stimuleerde daarom allerlei regelingen die oudere werknemers moesten verleiden om eerder te stoppen met werken. 

De inleg voor het prepensioen was voor de werkgever aftrekbaar van de bedrijfswinst en werknemers betaalden geen belasting over de inleg via hun loonstrookje. Hoewel deze aftrekposten voor werkgevers en werknemers heel voordelig zijn, betekent het wel dat er via de belastingen minder geld bij de overheid binnenkomt.

Door de vergrijzing stijgen de kosten van de AOW. Toch is dat, economisch gezien, niet de hoofdreden dat de AOW-leeftijd omhoog moest. De kredietcrisis die in 2008 op zijn hoogtepunt was, zorgde ervoor dat de overheid het belastinggeld dat zij door alle VUT-regelingen misliep, goed kon gebruiken om Nederland weer uit de crisis te helpen. 

Na veel getouwtrek en overleg met de vakbonden werd er een akkoord gesloten om de AOW-leeftijd te verhogen en de prepensioenregelingen af te schaffen.

Met het in zicht komen van de pensioenleeftijd van 67 jaar zien we dat mensen door financiële prikkels ook daadwerkelijk op een latere leeftijd stoppen met werken. Lag in 2002 de gemiddelde pensioenleeftijd volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek nog op 60,7 jaar, in 2019 stopte men pas met 65,1 jaar met werken. 

Nu de economie weer aantrekt en de pensioenleeftijd stabiliseert, ontstaat er ruimte om toch weer eerder met pensioen te gaan. Dat zien we ook terug in de meest recente ontwikkelingen.

RVU-heffing

Vanaf 2021 is het voor werkgevers weer mogelijk om regelingen met hun medewerkers te treffen met betrekking tot vervroegde uittreding (RVU), zonder dat ze hier fiscaal voor ‘gestraft’ worden. Van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025 hoeven werkgevers geen heffingen te betalen als hun medewerkers eerder stoppen met werken en de werkgever hiervoor een bedrag beschikbaar stelt dat niet hoger is dan de netto-AOW.

Een belangrijke voorwaarde van vrijstelling van deze RVU-heffing, is dat de uittreding moet plaatsvinden in de drie jaar voorafgaand aan de AOW-leeftijd. De werkgever betaalt dan als het ware de AOW-uitkering van de werknemer en de werknemer is vrij om dit aan te vullen met spaargeld of een vervroegd pensioen. 

Vooral de werknemers die zich zorgen maken over de verhoging van de AOW-leeftijd en die niet in staat waren om op deze leeftijdsverhoging te anticiperen, worden met de versoepeling RVU-heffing tegemoetgekomen.

Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU)

Naast de versoepeling van de RVU-heffing kunnen werkgevers in dezelfde periode (dus van 2021 tot en met 2025) ook uitkeringen aan werknemers betalen in het kader van de Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU) en daarvoor een subsidie van de overheid ontvangen. 

Het gaat dan vooral om de sectoren die investeren in duurzame inzetbaarheid. Maar ook voor werknemers die het qua gezondheid niet volhouden om door te werken tot de AOW-leeftijd, is dit een regeling die de mogelijkheid biedt om eerder met pensioen te gaan. Voor deze maatwerkregeling heeft de overheid een miljard euro vrijgemaakt.

Verruiming verlofsparen

Het is nu al mogelijk om overwerkuren of uren die in ploegendienst gewerkt worden, niet te laten uitbetalen, maar als extra verlof op te bouwen. Voorheen moest de werkgever bij meer dan vijftig weken verlofopbouw direct loonheffing afdragen over de verlofuren. 

Ook deze regeling wordt verruimd en treedt in werking met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021. De grens voor het afdragen van loonheffing wordt verhoogd tot honderd weken. De verruiming van het verlofsparen geeft werknemers onder andere de mogelijkheid om eerder te stoppen met werken.

Wat betekenen deze regelingen in de praktijk?

In de cao’s die recent zijn afgesloten, zien we steeds vaker ruimte voor vervroegde uittreding ontstaan. Ruim een miljoen werknemers vallen al onder een cao waarin in meerdere of mindere mate iets is geregeld rondom vervroegde uittreding. Omdat het geen recht van werknemers is om eerder met pensioen te gaan en werknemers en werkgevers hier onderling afspraken over mogen maken, zien we een grote diversiteit aan afspraken.

Meer weten?

Wilt u meer weten over de nieuwe regelingen in relatie tot vervroegde uittreding? Neem dan gerust contact op met de advocaten van onze sectie pensioenrecht. Wij adviseren over kwesties op het gebied van pensioen- en arbeidsrecht. Hierbij staan wij werkgevers, werknemers (directie- en managementfuncties) en zelfstandige ondernemers bij.