Servicekosten in de vrije sector, waar ligt de grens?

Op 30 oktober 2018 heeft het hof Amsterdam een interessante uitspraak gedaan over servicekosten bij de huur van een vrije sectorwoning (ook wel: geliberaliseerde woonruimte). Het hof komt hiermee terug op eerdere uitspraken over dit onderwerp.

Wat was er aan de hand?

Een huurder van een vrije sectorwoning betaalde 1.500 euro per maand aan huur. Dit bedrag was volgens de huurovereenkomst inclusief 450 euro aan servicekosten. Na beëindiging van de huurovereenkomst vorderde de huurder de betaalde servicekosten terug, op grond van onverschuldigde betaling. De verhuurder had zich namelijk niet gehouden aan haar wettelijke verplichting om de betaalde bedragen jaarlijks af te rekenen en een overzicht van de in rekening gebrachte kosten te geven (zie art. 7:259 BW). De huurder kon daarom niet weten welke kosten er daadwerkelijk waren gemaakt door de verhuurder en was van mening dat hij deze servicekosten nooit had hoeven betalen.

Een wijziging in de rechtspraak

Op grond van eerdere rechtspraak is bovengenoemde stelling van de huurder niet vreemd. Eerder oordeelde het hof namelijk dat uit de wet volgt dat een overeengekomen bedrag voor servicekosten altijd ‘redelijk’ moest zijn. Het bedrag aan servicekosten moest zich daarom verhouden tot de waarde waarvoor het werd betaald. Hierop komt de rechter nu terug.

Volgens het hof is contractsvrijheid bij woningen in de vrije sector ten aanzien van de servicekosten het uitgangspunt. Dat betekent dat partijen in principe met elkaar af mogen spreken wat ze zelf willen, als ze daarover maar overeenstemming bereiken. Er hoeft dan zelfs geen relatie te bestaan tussen de werkelijk gemaakte kosten en de overeengekomen servicekosten.

Terug naar de casus

In deze casus hadden de huurder en verhuurder van te voren overeenstemming bereikt over het door de huurder te betalen bedrag aan servicekosten. De servicekosten waren onderdeel van de huurprijs en bedroegen 450 euro. De huurder had hier nooit eerder over geklaagd en het volledige bedrag steeds netjes betaald. Ook had de huurder nooit om een overzicht van de werkelijk gemaakte kosten gevraagd. Het bedrag van 450 euro per maand moest dus worden gezien als een vast bedrag dat gold als onderdeel van de totale prijs. De verhuurder hoefde dit bedrag niet achteraf terug te betalen.

Conclusie

Na deze uitspraak kan in principe elk bedrag als ‘servicekosten’ worden bestempeld in de huurovereenkomst. Het bedrag dat door de huurder en verhuurder is afgesproken, geldt als het bedrag dat aan servicekosten moet worden betaald. Het afgesproken bedrag hoeft niet in verhouding te staan tot daadwerkelijk gemaakte kosten. De contractsvrijheid tussen partijen staat voorop.

Wanneer de huurder en verhuurder over het te betalen bedrag aan servicekosten geen overeenstemming hebben bereikt, volgt uit de wet (art. 7:259 BW) overigens dat er een bedrag geldt dat bij ministeriële regeling is vastgesteld.

Heeft u nog vragen over dit onderwerp? Neem contact op met Sylvie Adriaanse.