Verplicht pensioen bij grensoverschrijdende arbeid?

Gavel en wettenbundels

Verplichte deelneming in bedrijfstakpensioenfonds voor Duitse chauffeurs in dienst van Nederlandse onderneming.

De vraag of de verplichtstelling van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds van toepassing is in situaties van grensoverschrijdende arbeid heeft veel stof doen opwaaien bij pensioenfondsen en ondernemingen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zich op 19 januari 2021 in deze uitspraak over deze vraag gebogen.

Feiten

In dit arrest is de werkgever een in Nederland gevestigde onderneming in het beroepsvervoer over de weg. Van de negentig werknemers in dienst, zijn tien werknemers woonachtig in Duitsland en hebben de Duitse nationaliteit. De Duitse werknemers zijn niet op een vaste plaats werkzaam, waardoor lastig is vast te stellen waar zij gewoonlijk hun werk verrichten. De arbeidsovereenkomsten bevatten een rechtskeuze voor Nederlands recht. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op grond van artikel 2 Wet Bpf 2000 deelneming in het Pensioenfonds Vervoer verplicht gesteld voor werknemers die in dienst zijn van een in Nederland gevestigde onderneming in het beroepsvervoer over de weg. De vraag die in dit arrest centraal staat is of deze tien werknemers verplicht zijn tot deelneming in het Pensioenfonds Vervoer op grond van artikel 8 of 9 RomeI.

Systematiek Rome I

Voordat het oordeel wordt besproken is het van belang om de systematiek van de Rome-I Verordening goed in beeld te hebben. Op grond van artikel 3 is het gekozen recht van toepassing. Deze keuze mag er niet toe leiden dat het dwingende recht dat volgens lid 2 en 3 van artikel 8 geldt, opzij wordt geschoven. Het recht van het gewoonlijk werkland is dan van toepassing. Echter, volgens artikel 9 zijn regels van bijzonder dwingend recht wel nog steeds van toepassing.

Oordeel

Volgens het Hof is de rechtskeuze voor Nederlands recht in beginsel geldig en zijn ook de bepalingen van de Wet Bpf 2000 van toepassing. Het Hof komt vervolgens toe aan de hypothetische vraag of de verplichtstelling alsnog van toepassing zou zijn indien er geen rechtskeuze zou zijn gemaakt. Aan de hand van het Koelzsch-arrest wordt beoordeeld welk land als het “gewoonlijke werkland” kan worden aangewezen. Relevante gezichtspunten zijn:

  1. De plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht;
  2. Waar hij zijn instructies voor zijn opdrachten ontvangt;
  3. Waar hij zijn werk organiseert;
  4. Waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden;
  5. In welke plaatsen het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht;
  6. Waar de goederen worden gelost; en
  7. Naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert.

Aan de hand van deze criteria oordeelt het Hof dat uit omstandigheden blijkt dat een deel van de Duitse werknemers in Duitsland hun economische en sociale functies uitoefenen. Op grond van artikel 8 Rome-I is het Duitse recht van toepassing. Dat deze Duitse werknemers in vrachtwagens van hun werkgever rijden, die een Nederlands kenteken hebben en door hun werkgever in Nederland worden onderhouden weegt volgens het Hof onvoldoende zwaar om tot een andere conclusie te komen.

Dit ligt anders voor de overige vijf Duitse werknemers. Een groot deel van de in Koelzsch genoemde gezichtspunten wijst naar Nederland. De werknemers verrichten voor een relevant deel hun opdrachten in Nederland, waarbij voor vier van hen hun opstapplaats Nederland is. Zij zijn dus verplicht tot deelneming in het Pensioenfonds Vervoer nu de Wet Bpf 2000 ook op hen van toepassing is. Wel overweegt het Hof dat indien niet kan worden vastgesteld dat Nederland hun gewoonlijke werkland is, toch het Nederlandse recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomst. Als het gewoonlijke werkland niet kan worden vastgesteld, is namelijk het recht van het land waar de werkgever zich bevindt van toepassing.

Nu er wel een rechtskeuze was, mag dat niet tot gevolg hebben dat dwingend Duits recht dat op de arbeidsovereenkomst van toepassing is, wordt weg gecontracteerd. Het Hof oordeelt dat artikel 8 lid 1 tweede zin niet zo kan worden uitgelegd dat het werknemers beschermt tegen een bovenmatig pensioen als gevolg van dubbele pensioenaanspraken. Een dubbel pensioen is volgens het Hof dus mogelijk. Tot slot oordeelt het Hof dat voor de Duitse werknemers die gewoonlijk buiten Nederland werken de verplichtstelling niet als bijzonder dwingend kan worden aangemerkt, omdat Nederlandse belangen onvoldoende zijn geraakt.

Conclusie

Door de rechtskeuze voor Nederland is het Hof van oordeel dat de Duitse werknemers verplicht zijn tot deelneming omdat zij geen bescherming verliezen op grond van dwingend objectief toepasselijk recht. Indien deze rechtskeuze ontbreekt, is de verplichtstelling ook van toepassing op de Duitse werknemers die een relevant deel van hun werkzaamheden in Nederland verrichten. Voor de overige Duitse werknemers geldt deze verplichting zonder rechtskeuze niet.

Kunnen wij u helpen?

Wij staan werkgevers bij in verschillende kwesties over aanpassing van pensioenregelingen of conflicten met pensioenuitvoerders. Regelmatig worden bedrijven geconfronteerd met claims van bedrijfstakpensioenfondsen, die stellen dat op basis van een verplichte aansluiting grote bedragen aan premies moeten worden betaald. Neem gerust contact met ons op!